Deze vakantie vonden 185.000 kinderen en jongeren tussen 3 en 16 jaar spel en avontuur op de 557 Vlaamse en Brusselse speelpleinen. De Vlaamse Dienst Speelpleinwerk (VDS) ondersteunt speelpleinen daarbij om inclusief te worden, zodat onder anderen ook kinderen met een mentale beperking gelijke kansen krijgen om avontuurlijk te spelen. Wat maakt inclusie op het speelplein haalbaar? Welke drempels maken het juist onhaalbaar, of onwenselijk? VUB-agogiekstudente Sien Vandervelde onderzocht het op vraag van het Departement Cultuur, Jeugd en Media van de Vlaamse Overheid en in samenwerking met de VDS, begeleid door prof. Guy Redig.

_________________________________________

” Speelpleinen die geschikt zijn voor kinderen met een beperking beschouwen inclusie niet als een ballast, maar als een meerwaarde. Kinderen leren zo omgaan met diversiteit. “

_________________________________________

Inclusie als meerwaarde
Inclusieve speelpleinen slagen erin bepaalde participatiedrempels weg te werken of te verlagen. Zo maken ze zich duidelijk bekend als inclusief speelplein via brochures, websites, … waardoor ouders hen vinden. Daarnaast bieden ze voldoende begeleiding, al dan niet een-op-een. Verder wordt het speelplein ook klaargestoomd voor inclusie door vorming voor animatoren en kleine aanpassingen zoals time-outplaatsen en snoezelmateriaal.
Zowel animatoren als kinderen zonder beperking leren omgaan met kinderen met een mentale beperking. Bovendien kunnen deze kinderen hun vrije tijd besteden samen met hun leeftijds- of IQ-genootjes. Animatoren merken ook weinig pestgedrag op. Ze zien zelfs dat kinderen zich ontfermen over kinderen met een mentale beperking.
Drempels voor de overstap naar inclusie
Desondanks blijven er nog speelpleinen waarvoor inclusie een stap te ver is. Verantwoordelijken vrezen vooral over onvoldoende draagkracht te beschikken. Ze zouden extra animatoren moeten voorzien, waar ze sowieso al een tekort aan hebben en waar bovendien geen budget voor is. Daarnaast vermelden ze een gebrek aan opleiding, kennis en vorming van zowel de animatoren als de verantwoordelijken om kinderen met een mentale beperking te begeleiden. Ook is volgens hen de vraag naar inclusie niet groot, al spreken experts dit wel tegen.
Het onderzoek maakt ook duidelijk dat andere drempels dan weer geen probleem zijn voor niet-inclusieve speelpleinen. Zo staan kinderen meestal open voor kinderen met een beperking, menen de verantwoordelijken. Ook kleine materiële aanpassingen vormen geen probleem.
_________________________________________

” Verantwoordelijken van niet-inclusieve speelpleinen vrezen vooral over onvoldoende financiële middelen en pedagogische kennis te beschikken.

_________________________________________

Op basis van haar masterproefonderzoek formuleerde Vandervelde aanbevelingen voor inclusieve en niet-inclusieve speelpleinen en voor de VDS, waar ze nu mee aan de slag kunnen. Deze aanbevelingen en de rest van het onderzoek zijn te vinden op de Wetenschapswinkelwebsite.

De Brusselse Wetenschapswinkel is een VUB-initiatief waarbij masterstudenten onderzoeksvragen van non-profitorganisaties beantwoorden via projecten of eindwerken. Deze zomer werd de 200ste succesvolle Wetenschapswinkelmasterproef voltooid binnen de Brusselse Wetenschapswinkel.

Bron foto’s: Vlaamse Dienst Speelpleinwerk vzw